Posts tonen met het label WO I. Alle posts tonen
Posts tonen met het label WO I. Alle posts tonen

dinsdag 10 november 2009

11 november, een gedicht

De velden van eer
Zijn omgewoeld
Tot akkers en tuinen
Maar telkens weer
Word er geoogst
Granaten en lijken
En ander oud zeer
Van die helse jaren
Die zo lang achter ons liggen

Niemand herinnert zich het meer
Waar het om ging
Of wie er won
Maar nog steeds
Worden we geconfronteerd
Niet alleen met lijken
Of verroeste granaten
Met naweeën
In Dixmuiden, Dresden of Verdun
Tel Aviv of Bagdad
Die oorlog
Keert nog steeds weer

Tour 2010: de Luxemburger, de Fransman en de Argentijn


In aanloop naar de tourstart in Rotterdam maak ik een serie van verhalen over de tour. Vandaag starten we met de eerste jaren, die van 1903 tot en met 1914.

Als de grote oorlog op 11 november 1918 eindigt zijn er van de elf winnaars nog maar 7 in leven. Een daar van, Rene Pottier, heeft zich zelf van het leven beroofd nadat zijn geliefde hem had verlaten voor een andere man. De andere drie sneuvelden in de grote oorlog zoals onze zuiderburen hem noemden.

De Luxemburgse François Faber was de eerste die sneuvelde. De tourwinnaar van 1909 had dienst genomen bij het franse vreemdelingen legioen. Op 9 mei 1915 kwam hij om. Waarschijnlijk werd hij neergeschoten toen hij een kameraad probeerde te redden die gewond in de vuurlinie lag. De andere versie is tragischer. Hij zou zijn omgekomen omdat hij van vreugde opsprong toen hij hoorde dat hij vader was geworden. Een Duitse sluipschutter schoot hem door het hoofd.

Octave Lapize was de tweede die sneuvelde. Als opvolger van Faber won hij de tour in 1910! In 1914 nam hij dienst als infanterist om daarna vliegenier te worden. Op 14 juli 1917 werd hij tijdens een routine vlucht overvallen door 4 Duitse vliegtuigen en neergeschoten. Hierbij kwam Lapize om. Naast de tour won hij ook 3 maal Parijs-Roubaix.

De kleine Breton was de derde die sneuvelde. Dit was zijn bijnaam. In werkelijkheid hete hij Lucien Mazan. Zijn familie was in 1890 richting Argentinië vertrokken. Daar zijn familie niets wilde weten van wielrennen nam hij een schuilnaam aan. Gezien het feit dat hij afkomst was uit Bretagne nam hij de naam Breton aan. Om verwarring met een andere renner te vermijden werd er Petit voorgezet. Lucien Petit Breton was de eerste renner die twee maal de tour won. In 1907 en 1908. Hij ging dus Faber vooraf! In 1914 nam hij dienst in het franse leger. Na enkele malen gewond geraakt te zijn werd hij ordonnans. In de ze functie kwam hij op 20 december 1917 om het leven bij een auto ongeluk aan het westelijke front.

De heldendaden die deze heren in de tour hadden gepresteerd herhaalden zich in de oorlog. Helaas kwamen ze hierbij om. De winnaars van 1907,1908,1909 en 1910 zouden nooit meer de fiets terug zien.

dinsdag 11 november 2008

vrijdag 7 november 2008

Trenchcoat

Het is weer November, de herfst heeft zijn intrede gedaan. De bladeren vallen van de bomen, het is donker in de ochtend, de wind voelt ijziger aan en mensen worden weer wat troostelozer. De tram met zijn kunstmatige verlichting en zijn verwarming, die te warm is, of te koud, snijd door de koude ochtend. Bij een abri zie ik een poster met daarop een model gekleed in een jas, een trenchcoat.

Mijn gedachten glijden weg. Zouden de mannen die negentig jaar geleden deze jas droegen hebben kunnen indenken dat nu een Zweeds kleding merk reclame maakt met de zelfde soort jas die zij ooit droegen. Een fragiel dun model heeft zich gehuld in hun jas. Ze zouden het waarschijnlijk afdoen als lopengravenkoorts. Of Shell shock. Een november in de jaren negentienveertien/achtien zag er toch heel anders uit. Geen files, geen ochtendhumeur, geen stoplichten, geen stempelautomaten, geen vervelende muziek uit te hard aanstaande Ipods, geen tuig met de voeten op de bank en geen voorkruipende ambtenaren. Men had toen last van modder, koud, regen en de dood.
De trenchcoat was een van de weinige luxe dingen die men kon hebben in de loopgraven van Belgie en Frankrijk. Het gaf bescherming aan wind, regen en kou. Helaas niet tegen kogels. Als het kouder werd en de sneeuw tevoorschijn kwam had de jas eigenlijk geen waarde. Maar ja, niemand had een grote gardarobe kast in de loopgraven. Of je moest toevallig generaal zijn. Na de oorlog hielden de soldaten hun trenchcoat. Het was het enige symbool uit de loopgraven dat iets van hoop en stijl uitdroeg. Ze hadden hun vrienden en hun onschuld achtergelaten in de modder, ze moesten toch met iets terugkomen.
De tram begon weer te rijden. De poster met het model verdween uit mijn zicht. Mijn uitstaphalte kwam eraan. Ik zag de druppels al vallen. Een zware regenbui lag in het verschiet. Ik dacht weer terug aan die mannen van negentig jaar geleden. Gehuld in hun jassen, schuilend voor regen en dood. Gelukkig hoefde ik alleen op te passen bij het oversteken. Een trenchcoat was dus niks voor mij. Ik had hem niet nodig, en heb hem, eigenlijk, ook nog niet verdient.